De hier bedoelde hulpmiddelen zijn:
Electro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor, alsmede de zogenaamde gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg versterken, waarbij als bijzondere uitvoering van een electro-akoestisch hoortoestel wordt beschouwd een:
De keuze voor merk en type hoortoestel is een gecompliceerd proces dat veel kennis en ervaring vergt. Alle technieken lijken veelbelovend, maar in de praktijk valt het voor de slechthorende zelf nog wel eens tegen.
Een probleem is dat niemand weet wat de slechthorende precies hoort en hoe dat klinkt.
Er wordt aangenomen dat de wetten die gelden voor hifi-apparatuur, ook gelden voor slechthorenden en hoortoestellen, maar dat blijkt lang niet altijd waar te zijn.
Geleidingsverliezen zijn met dit concept redelijk te compenseren, perceptieverliezen zijn veel moeilijker.
Als het slakkenhuis niet goed meer werkt kan men tonen minder goed onderscheiden, maar vaak treedt er ook abnormale geluidsgewaarwording op: harde en zachte tonen kunnen niet meer op de normale manier worden onderscheiden (recruitment).
Zachte geluiden zijn te zacht en harde geluiden al snel te hard.
De keuze voor een hoortoestel wordt in de eerste plaats bepaald door het soort gehoorverlies: geleidingsverlies of perceptieverlies.
Aan de hand van het audiogrammen worden de benodigde versterking, frequentiekarakteristieken en andere instellingen bepaald.
Bij een perceptieverlies zal men recruitmentverschijnselen zo veel mogelijk trachten te beperken.
Verschillende omstandigheden en situaties waarin de slechthorende regelmatig verkeert, spelen eveneens een belangrijke rol.
Alle merken en typen hoortoestellen hebben hun eigen geluidskarakteristieken.
Wat prettig klinkt is, net als bij stereo-apparatuur, zeer individueel bepaald.
Vandaar dat tijdens een proefperiode van een aantal weken één of meer toestellen worden aangepast en gedragen, zodat de slechthorende een afgewogen keuze kan maken.
Belangrijk is ook dat het gekozen hoortoestel (dat verstrekkingstechnisch tenminste 5 jaar mee moet) voldoende reservecapaciteit heeft om tussentijdse verslechtering van het gehoor te kunnen compenseren.
Deze hulpmiddelen kunnen verstrekt worden bij de volgende indicatie(s):
Aanvraagprocedure:
Voor elk hulpmiddel die door de zorgverzekeraar wordt verstrekt, hebt u een voorschrift van uw arts nodig en soms ook voorafgaande toestemming van de zorgverzekeraar. Laat u daarom bij twijfel, vooraf goed informeren. Uw zorgverzekeraar moet een verzekeringsreglement hebben, waarin staat hoe de verstrekking van hulpmiddelen geregeld is. Vraag zonodig naar dit reglement bij uw zorgverzekeraar.
Voor de verstrekking van hoortoestellen is bij een aantal zorgverzekeraars geen voorafgaande toestemming noodzakelijk. De behandelend arts geeft een voorschrift af. Met dit voorschrift gaat u naar de leverancier.
Dit hulpmiddel wordt in eigendom verstrekt. ( zie reglement ).
Hoe vaak kan een aanvraag worden ingediend:
Voor de gebruiksduur geldt een minimale periode van 5 jaar.
Wanneer u langer wacht met vervangen van het (de) toestel(len) wordt de maximale vergoeding hoger.
Extra informatie
Bij verlies binnen 5 jaar bestaat er geen mogelijkheid tot verstrekken. Udient zich zelf tegen dit risico te verzekeren. Bij het verstrekken van een hoortoestel zal er ook altijd een oorstukje in rekening worden gebracht. Deze oorstukjes vallen niet onder de maximale vergoeding maar moeten gezien worden als aparte verstrekking.
Prijzen:
Vergelijkbare hoortoestellen en vaak ook dezelfde hoortoestellen zijn bij verschillende audiciens voor verschillende tarieven verkrijgbaar. Het is als gebruiker de moeite waard om bij een aantal audiciensbedrijven in uw omgeving hier navraag naar te doen. Ook de bij de hoortoestellen noodzakelijke toebehoren zoals serumenfilters en batterijen zijn verschillend geprijsd.